SPROOKJE — DE JONGEN DIE DE STORM LEERDE KENNEN

Er was eens een jongen die bang was voor onweer.

Niet een beetje bang. Echt bang. Als de lucht donker werd trok hij zich terug onder zijn bed, zijn handen over zijn oren, zijn ogen dicht. Hij wachtte tot het voorbij was.

Zijn vader zei: “Het is maar geluid.”
Zijn moeder zei: “Er is niets aan de hand.”
Zijn zusje lachte hem uit.

Maar de jongen bleef bang.


Op een dag trok er een grote storm over het land. Groter dan alle storms ervoor. De bomen bogen dubbel. De ramen rinkelden. De mensen sloten hun luiken en bleven binnen.

Behalve één.

Een oude man liep midden door het dorp, rechtop, zijn jas wapperend in de wind, zijn hoed stevig op zijn hoofd gedrukt met één hand. Hij leek nergens bang voor.

De jongen keek vanachter het raam.

“Wie is dat?” vroeg hij aan zijn moeder.

“Dat is Marcus,” zei ze. “Die is gek.”

Maar de jongen dacht: of hij weet iets wat wij niet weten.


Toen de storm was gaan liggen, rende de jongen naar Marcus toe. De oude man zat op een omgevallen boom zijn pijp te stoppen alsof er niets was gebeurd.

“Bent u niet bang geweest?” vroeg de jongen.

Marcus keek hem aan met ogen die veel hadden gezien.

“Waarvoor?”

“Voor de storm.”

Marcus dacht even na. “Was de storm van plan jou kwaad te doen?”

“Nou… nee. Maar hij was zo hard.”

“Luid,” zei Marcus. “Niet hard. Er is een verschil.”

De jongen begreep het niet helemaal. Maar hij bleef zitten.


Marcus legde uit. Niet met moeilijke woorden maar met simpele.

“Er zijn twee soorten dingen,” zei hij. “Dingen die jij kunt veranderen. En dingen die jij niet kunt veranderen.”

“De storm kan ik niet veranderen,” zei de jongen.

“Nee.”

“Maar mijn angst dan?”

Marcus glimlachte. Het was een warme glimlach, een beetje scheef.

“Dat,” zei hij, “is precies de juiste vraag.”


Ze spraken lang. Marcus vertelde dat hij vroeger ook bang was geweest. Voor stormen. Voor ziek worden. Voor mensen die hem niet mochten. Voor de dood.

“En nu?” vroeg de jongen.

“Nu ben ik nog steeds bang soms,” zei Marcus eerlijk. “Maar ik verspil er minder tijd aan.”

“Hoe dan?”

“Ik vraag mezelf: kan ik hier iets aan doen?”

“En als het antwoord nee is?”

“Dan zet ik mijn hoed op,” zei Marcus. “En loop ik toch.”


De jongen probeerde het die avond. Er was geen storm, maar er was iets anders: zijn zusje had zijn mooiste steen gepakt. Zijn lievelingssteen, gevonden bij de rivier, glad en blauw.

Hij voelde de woede opkomen.

Toen dacht hij: kan ik dit veranderen?

Hij kon zijn zusje vragen de steen terug te geven. Dat kon hij veranderen.

Hij kon niet veranderen dat ze het had gepakt.

Hij haalde diep adem. Hij liep naar zijn zusje.

“Geef mijn steen terug,” zei hij. Rustig. Zonder schreeuwen.

Ze keek verrast. Ze gaf hem terug.

Dat had hij niet verwacht.


De jaren gingen voorbij. De jongen werd groot. Er kwamen moeilijke tijden — dat doen ze altijd. Dingen die hij niet had gewild. Verlies dat pijn deed. Plannen die mislukten.

Maar hij dacht steeds aan Marcus op die omgevallen boom.

Kan ik hier iets aan doen?

Soms ja. Dan deed hij iets.

Soms nee. Dan zette hij zijn hoed op.


Op een avond, hij was al oud, zat zijn kleinkind naast hem. Er trok een storm over het land. De lucht was zwart. De bliksem flitste.

Het kleinkind kroop dicht tegen hem aan.

“Opa, ben je bang?”

Hij dacht aan de jongen die hij ooit was geweest, onder zijn bed, zijn handen over zijn oren.

“Soms,” zei hij eerlijk. “Maar de storm heeft nog nooit gedaan wat hij dreigde te doen.”

“Wat dreigt hij dan?”

De man keek naar het raam. De bliksem flitste weer. Ver weg. Mooi eigenlijk.

“Dat weet ik niet,” zei hij. “Maar ik ben er wel aan gewend geraakt.”

Het kleinkind dacht na.

“Ik ga er ook aan wennen,” zei het.

“Ja,” zei de man. “Dat doe je.”

Hij sloeg zijn arm om het kind heen.

Buiten woedde de storm. Binnen was het warm.

En dat, dacht hij, is alles wat je kunt maken van een storm.


Sediment is het publicatieplatform van LoveWorks. Hier schrijven we over wat we zien, wat we denken en wat we bouwen. Voor de mensen die verder kijken — en willen bouwen.